Het spreekt vanzelf dat elke school die zichzelf respecteert ten zeerste begaan is met de kwaliteit van het geboden onderwijs en opvoeding en deze kwaliteit continu in vraag durft te stellen, zichzelf bevraagt en verbetert.
Kwaliteit van onderwijs is onlossprekelijk verbonden met een geheel van normen en waarden, die algemeen gewaardeerd worden en van diep menselijke oorsprong zijn. Deze krijgen in de dagdagelijkse praktijk een concrete invulling maar worden vooral doorgegeven door de voorbeeldfunctie van de vele verschillende persoonlijkheden waarmee het individuele kind in contact komt.

Onze Gemeentelijke Basisschool erkent dan ook zonder meer een aantal diepmenselijke waarden:

 

1 Er heerst een grote openheid en tolerantie naar alle vormen van ideologische en filosofische verscheidenheid. Alle kinderen, ongeacht hun religieuze of ideologische, etnische of sociale achtergrond zijn van harte welkom. Elk kind wordt in zijn of haar “uniek zijn” op de wereld gerespecteerd als mens. Dit uit zich tevens in een volledig vrije keuze in één der erkende godsdiensten of zedenleer. Alle andere leerdomeinen worden benaderd vanuit een pluralistisch samenlevingsmodel en zijn niet eenzijdig gekleurd.

 

2 Deze verscheidenheid qua achtergrond wordt zeker niet als belemmerend maar als positief verrijkend ervaren. Elk kind ervaart dat niet ieder mens gelijk is, doch wel gelijkwaardig is als het op rechten en plichten aankomt. De veelheid van kennisneming van deze verscheidenheid van de anderen verbreedt de visie van het kind op een te vormen mens– en maatschappijbeeld.

Begripvol leren samenleven in een verdraagzame wereld moet groeikansen krijgen. Concreet uit zich dit zowel op algemeen menselijk vlak onder de vorm van respect voor elkaar en leren omgaan met elkaar, het vorm geven aan attitudes, houdingen. Teamleden “discrimineren” positief” als ze merken dat bepaalde leerlingen meer aandacht of ondersteuning nodig hebben. Met het oog op gelijkwaardigheid krijgt eenieder maximale ontwikkelingskansen.

 

3 De totale opvoeding en opleiding heeft steeds een zeer ver einddoel, namelijk het “socialisatieproces”. Elk kind zal in een democratische samenleving zijn of haar plaats moeten vinden in de grote maatschappij. Het kind zal zich daar vooral correct, voldoende assertief en maatschappelijk weerbaar moeten kunnen en durven opstellen. In de schoolpraktijk zal er binnen en buiten de leerdomeinen op dit vlak voldoende aandacht zijn: het kind leert verantwoorde keuzes maken, zich kritisch op te stellen t.o.v. de omgevende wereld, voor zijn of haar rechten op te komen, dit op een verantwoorde en correcte omgangsvorm, afspraken na te komen, voldoende burgerzin te ontwikkelen, verkeers- en milieubewust te leven …, dit alles natuurlijk op een niveau eigen aan de leeftijd.

 

4 Uitgangspunt van elke betrokkenheid van het kind wordt het algemeen welbevinden van de kinderen op school. Elk kind heeft recht op maximale ontplooiingskansen in een heel positief klasklimaat, in een omgeving waar het zich veilig en kiplekker in zijn vel voelt. Een goede relatie leerkracht–leerling is hier bij een essentiële factor. Degelijke efficiënte tijdsinvulling tijdens de schooluren zal het kind dan ook voor steeds nieuwe uitdagingen plaatsen. Concreet kan dit betekenen dat er met voldoende realiteitszin onderwijs gegeven wordt. Uitdagende probleemsituaties in herkenbare leefsituaties uit de wereld van het kind, aanknopingspunten uit de actualiteit doen de motivatie stijgen, verhogen de persoonlijke betrokkenheid en resulteren uiteindelijk in meer kennis en inzicht, maar vooral in een verhoogd positief zelfbeeld. Dit laatste is dan weer de bron van voldoende zelfsturing of eigen initiatief.

 

5 De school stelt zich als doel de totale persoonlijkheid te vormen. Een harmonische persoonlijkheidsontwikkeling vraagt een evenwichtige aandacht en tijdsverdeling over de verschillende ontwikkelingsgebieden van elk kind. Naast natuurlijk een pak cognitieve aspecten moeten ook het sociaal emotionele en de motorische componenten ontwikkeld worden. Het onderwijs zal dus zeer zeker niet alleen aandacht geven aan louter kennisoverdracht, maar ook inzichten, allerhande vaardigheden en attitudes, die allemaal nauw met mekaar verweven zijn, voldoende kansen tot het ontwikkelen geven. Alzo zal het kind in staat worden in dagdagelijkse situaties later goed te functioneren en worden hij / zij een “competent” iemand. In de praktijk blijkt dit uit velerlei situaties, waarbij de kinderen zich kunnen ontwikkelen op de verschillende leer- en leefdomeinen. We moeten niet alleen kennen, maar ook kunnen en zijn, of nog anders gezegd “hoofd, hart en handen” moeten kansen tot ontwikkeling krijgen. Over deze verschillende ontwikkelingsdomeinen moet natuurlijk ook bij de evaluatie rekening gehouden worden. Allerlei activiteiten, actieve betrokkenheid bij allerlei projecten, muzische vorming vinden hier hun plaats.

 

6 De school voedt op tot diep respect voor elke medemens uit de omringende samenleving. De school stelt zich als voorbeeld op micro–niveau waar elke sociale ongelijkheid onder kinderen gebannen wordt. Zij voedt op in een geest van “groot Europees- en mondiaal” burgerschap. Zij ziet de toekomstige leefwereld van de toevertrouwde kinderen ruim in de geest van de zegswijze “de wereld, mijn dorp”. Onverdraagzaamheid en pesterijen worden daarom best in de kiem gesmoord en consequent aangepakt. Discriminatie en vooroordelen allerhande worden van meet af aan onderdrukt.

 

7 Het schoolteam stelt zich als eerste doel zeer kwalitatief en hoogstaand onderwijs te geven, dit op moderne, jonge, dynamische en actieve wijze. De verschillende leerdomeinen wiskunde, taal, muzische vorming, wereldoriëntatie en lichamelijke opvoeding in de derde graad aangevuld met Frans, krijgen een evenwichtige en gedegen invulling in de planning van elke leerkracht. De leerkracht heeft daarbij voldoende aandacht voor de samenhang tussen deze verschillende leergebieden en domeinen, dit niet alleen in zijn / haar leerjaar, maar ook in de overgang naar een volgend leerjaar. Elk teamlid heeft hierbij voldoende persoonlijke pedagogische vrijheid en inspraak om dit geheel in te vullen binnen de doelen en eindtermen die aan de betreffende leeftijd gekoppeld worden.

De doorstroming doorheen de hele basisschool wordt dan ook een continu proces, waarbij geobserveerde of geëvalueerde gegevens via een aangepast leerlingvolgsysteem doorgegeven worden.

 

8 School lopen is meer dan in het klaslokaal vertoeven tussen belsignalen. De school wenst een brede opvoeding te geven. Zij zal daarom ook participeren aan allerhande initiatieven – aanbod van sociale, culturele, sportieve inslag. Als geen ander beseffen wij als team dat kennismaking met cultuur van jongs af aan moet meegegeven worden. Sport heeft naast het competitieve aspect ook een sterk bindende werking en is bijgevolg heilzaam voor groepsvorming en een positief leerling-klimaat.

 

9 Het schoolteam beschouwt de ouders als een volwaardige gesprekspartner. Ouderbetrokkenheid in de meest brede betekenis is dus geen ijdel woord. De school zal daarom de nodige stappen ondernemen om ouders vanaf de eerste kennismaking of inschrijving tot aan de eventuele uitreiking van het getuigschrift lager onderwijs via allerhande informele en formele kanalen voldoende en correct te informeren zowel over dit algemeen schoolleven als over de individuele vorderingen van de kinderen. Persoonlijke overwegingen worden ernstig genomen. Naast directe communicatie vinden nieuwsbrieven, mededelingen, info–avonden, oudercontacten, M.D.O. ‘s, … hier hun plaats. Wij zijn een school waar ouders van harte welkom zijn, maar waar de verantwoordelijkheid voor het didactisch pedagogisch gebeuren bij de teamleden blijft liggen.

 

10 Onze school is zich meer dan ooit bewust dat de ontwikkelingsevolutie van elk kind niet altijd even vlot verloopt. Naast het regulier aanbod is de school meer dan ooit een “zorgzame school” waar kinderen met problemen van welke aard ook, binnen de mate van het mogelijke geholpen worden.

De visie op dit “zorgbreed werken” binnen het team blijft op de allereerste plaats de kerntaak van de klasleerkracht.

Hij of zij ervaart het eerst de moeilijkheden en zal de nodige stappen ondernemen om binnen de klaspraktijk de nodige preventieve aandacht te schenken.

Hij of zij zal ook via de geëigende kanalen een signaalfunctie hebben om de risicoleerlingen te detecteren en op een multi-disiplinair-overleg-team te bespreken met de nodige concrete omschrijvingen. Het team kan dan binnen het “zorgzaam werken” aan risicoleerlingen beslissen zowel klasintern als klasextern hulp te bieden. De school zal binnen haar organisatie daarom de nodige lestijden vrij ter beschikking houden om “onderwijs op maat” te verlenen en naast preventieve hulp ook remediërend te kunnen optreden. Leerlingen die extra zorgaandacht behoeven worden daarom grondiger gevolgd, de ouderbetrokkenheid zal ook vergroten. De visie op de verleende hulp gaat dan van hulp door de klasleerkracht, naar ambulante klasinterne groepshulp, individuele hulp naar uiteindelijk klasexterne individuele remediërende hulp bij de taakleerkracht. Doel van het “zorgbreed werken” is het minimaal realiseren van de algemene essentiële basisvorming dat elk kind dient te bereiken binnen de eindtermen. De nodige ondersteuning via bespreking, testgegevens materiaal aanreiking, .. vanuit het CLB is hierbij dan ook van essentieel belang. Als het probleem de professionaliteit van de school overstijgt, zal het team de nodige aanbevelingen doen naar ouders toe om eventueel professionele externe hulp te zoeken.